F*ck de beste versie van jezelf

Steeds vaker hoor je het mantra ‘ik wil de beste versie van mezelf worden’ of ‘morgen wil ik een betere versie van mezelf zijn’. Op het eerste oog klinkt dit heel kordaat en positief (én Amerikaans). Immers: wie wil er nou niet beter worden? Wie wil er nou niet slimmer, sneller, socialer of succesvoller zijn dan hij of zij al is? Toch zit hier een inktzwarte kant aan. Feitelijk zeg je dat je nu niet goed genoeg bent.

Het idee van de beste versie van jezelf past naadloos in het verhaal waarin we van jongsaf aan gevangen zitten. Of het nou gaat om hoe je eet, speelt, praat, wat voor cijfers je haalt op school, hoe goed je bent in je werk, je wordt voortdurend gewogen en al dan niet te licht bevonden. Wat dat betreft verschillen we amper van kistkalveren of biokippen. Uiteraard kent het verhaal ook een rechtvaardiging van deze ellende: een ‘hoger’ doel aan de horizon. Het hogere doel is om vooruit te komen, om het einde van de regenboog te bereiken waar de beloning klaarligt die al onze pijn en inspanningen rechtvaardigt: de droomopleiding, droombaan, droomsalaris, droomhuis, de droomman of droomvrouw die ons gelukkig zal maken. 

Dat dit niet werkt heeft twee redenen. De eerste: succes went snel. Hoe geweldig die droombaan met dat droomsalaris ook is: als je hem eenmaal hebt, wordt hij al snel gewoontjes. Verontrustend snel. En heel eerlijk: zo geweldig als in je dromen is die baan nou ook weer niet. Net zomin als die droomman of droomvrouw.

Het tweede probleem: het houdt nooit op. We hebben ons doel nog niet bereikt of ons vizier staat alweer op een nieuw doel gericht. Wat psychologen de hedonistische tredmolen noemen. We zijn alweer op weg naar de toekomst voordat we het hier en nu hebben kunnen savoureren. En ondertussen blijven we maar rennen, vliegen, jagen, streven, vergelijken, bekritiseren, begeren en jureren. Alles met het ‘hogere’ doel om nog beter te worden of – o zo nobel – een nog betere wereld te maken. Maar wat heb je aan een betere wereld als niemand ervan geniet? Als we altijd met ons hoofd in de toekomst zitten? Altijd op weg naar iets dat zich nooit laat genieten in het hier en nu.

Sommige mensen gedijen hierbij. De winnaarstypes. Met jaloersmakende flair scheren ze over de golven van de prestatiecultuur, hun grenzen voortdurend verleggend, en voortdurend op weg naar nóg betere versies van zichzelf. Anderen houden hun scheepje maar net drijvende. En weer anderen gaan kopje onder. Die vallen ten prooi aan burn-outs, angststoornissen, depressies en ander malheur en zien afgunstig hoe de winnaarstypes ontsnappen aan de kaken van de zelfkritiek. 

Maar klopt dit beeld wel? Zijn die winnaarstypes echt zo zeker van hun zaak? Of zijn ze fragieler dan ze lijken? Hebben ze misschien gewoon een succesvollere façade opgetrokken?

Een tipje van deze sluier werd onlangs opgetrokken door de – met afstand – meest succesvolle Olympische sporter aller tijden, Michael Phelps. Een geweldenaar met 28 (!) Olympische medailles en 39 wereldrecords. Een man die zichzelf zo vaak heeft verbeterd dat hij ons normale stervelingen verre ontstegen was. Een halfgod. Maar wat blijkt nu? Michael Phelps was een groot deel van zijn carrière hartstikke depressief. Hij zwom Olympische finales met de dood in zijn lijf en heeft meermalen op het punt gestaan om een eind aan zijn leven te maken. En wat bleek verder? Dat Phelps slechts het topje van de ijsberg is. Nergens vind je zoveel miserabele mensen als onder Olympische kampioenen. Ruim 80% van de gouden medaillewinnaars op de Olympische Spelen kamp met een post-Olympische depressie (zie de onthutsende documentaire The weight of gold).

In een interview over zijn docu (zie YouTube, vanaf minuut 16:30) vertelt Phelps hoe het succes hem van zijn menselijkheid beroofde: ‘Nobody sees me as a human being. They just see this kid that’s pretty good in jumping in the water and swimming up and down the lane. And that has to stop.’

Iets vergelijkbaars geldt voor de showbiz. Het aantal popsterren dat kampt met depressies, verslavingen of suicide-neigingen is minstens zo onthutsend. Het rijtje halfgoden als Bob Dylan, John Lennon, George Harrison, Keith Richards, Elvis Presley, Michael Jackson, Prince, Jimi Hendrix, Kanye West, Bruce Springsteen laat zich lezen als een handboek van geestesaandoeningen. En dat zijn nog alleen maar degenen die de top haalden. Om te ontdekken dat de lucht daar zo ijl is dat ze er haast stikten. Toch willen we dit liever niet weten. We willen onze halfgoden met alle macht op hun voetstuk houden, als reminder aan de beste versies van onszelf. En we willen nieuwe goden. In blinde adoratie vergapen we ons aan de eindeloze talentenshows waar deelnemers klaargestoomd worden voor een toekomst vol adoratie. En mentale inzinkingen. Iedereen gaat langs de meetlat. Iedereen wordt gewogen. En uiteindelijk te licht bevonden.

Vergelijk je nóóit met een ander, zegt de volkswijsheid. Maar wat is streven naar de beste versie van jezelf anders dan je vergelijken met een ander, namelijk iemand die helemaal niet bestaat? De beste versie van jezelf is iemand vergeleken met wie jij alleen maar kan tegenvallen.

Terwijl het zo simpel is. De beste versie van jezelf is degene die jij nu bent. Per definitie. Om de doodsimpele reden dat dat de enige versie is die er is. De rest is een hersenspinsel. 

Sluit je ogen maar eens, glimlach en voel hoe goed dat voelt. Dit ben jij. Zo voelt de versie die jij nu bent. Doe dit vaker. Neem vaker de tijd voor jezelf. Geniet van wie jij nu bent en laat de beste versie van jezelf lekker waar hij hoort: in dromenland.

One thought on “F*ck de beste versie van jezelf”

Geef een reactie

Your email address will not be published.

*

Wat je zoekt ben je al

e-mail 06 4241 8787